| Foggia
Foggia, de hoofdstad van het Capitanata, ligt midden in de Tavoliere, een hoogvlakte in het noorden van Apulië. De gelijknamige provincie grenst aan Molise, Campanië, Basilicata en aan de Adriatische zee.
Foggia is in vele opzichten een Maria-stad: in de bedevaartskerk Santuario dell'Incoronata wordt de zwarte Madonna vereerd, de eerste aardse verschijning van de Heilige Maagd in het jaar 1001. In de Kathedraal van Foggia wordt de Madonna dei Sette Veli (Madonna met de zeven sluiers) aanbeden, een afbeelding op hout die ook bekend is onder de naam "Icona vetere". Door de vondst van dit beeld ontstond de wijk rondom de "Taverna del Gufo" met de tegenwoordige kerk S.Tommaso midden in de oude stad, aan de weg waarover de herders op weg gingen naar de zomerweiden, de Via Arpi.
Het verschijnsel van herders die zich met hun schapenkuddes verplaatsen uit Abruzzo naar de Apulische vlakte om er de winter door te brengen, en omgekeerd in de zomer, is de oorzaak van het ontstaan van de eerste nederzettingen. Volgens de geschiedkundigen is Foggia oorspronkelijk gesticht door de bewoners van Arpi, dat al voor de Romeinse tijd bestond. Onder Frederik II werd de stad tot keizerlijke residentie, en de stad kwam, eerst onder de Hohenstaufen, vervolgens de Anjous, later de Aragonesen en de Spanjaarden, tot bloei. Door de verschrikkelijke aardbeving van 1731 werd de stad volledig verwoest. De stad herstelde zich onder het bewind van de Bourbons, en Ferdinand III koos als residentie Palazzo Dogana, het gebouw waarin tegenwoordig de provinciale overheid is ondergebracht.
Foggia beleefde opnieuw een moeilijke periode toen zij geteisterd werd door de bombardementen in de zomer van 1943: de stad werd bijna geheel met de grond gelijk gemaakt en telde tienduizenden slachtoffers. Hiervoor kreeg Foggia de gouden medaille voor buitengewone dapperheid en werd het een martelaarstad. Ook in de kronieken van de kerk Sant'Anna zijn sporen en getuigenissen uit die dagen terug te vinden van de kapucijner paters, die gedeeltelijk gepubliceerd zijn door de culturele vereniging "C. Ferrini". Een bezoek waard zijn: de Via Arpi en haar kerken; de Basilica dell'Addolorata in het oude "piano delle fosse" (onderaardse silo's waar het geoogste graan werd bewaard); de Kathedraal, gebouwd in 1172 door Willem II de Goede, met de Icona Vetere, het houten crucifix van Pietro Fassa, de schilderijen van Paolo De Maio en Giuseppe de Ribeira, de crypte met de gebeeldhouwde motieven van Bartolomeo da Foggia, de Napolitaanse houten beelden uit de achttiende eeuw, en de beelden van papier-maché uit de Mysterieprocessie. Beslist bezichtigd dienen te worden: de in steen gegraveerde tekst uit 1651, in de tegenwoordige Via Manzoni, die verwijst naar de weg waarover de herders zich naar Abruzzo verplaatsten; aan de Piazza Nigri het Gemeentemuseum met pinacotheek, en het Observatorium "Vincenzo Nigri", verder het theater "Umberto Giordano", genoemd naar de grote componist uit deze stad, dat ontworpen is door Oberty en in 1828 geopend werd onder de naam "Teatro Ferdinando".
Waardevol is de officiële documentatie die bewaard wordt in het staatsarchief (Archivio di Stato), en de provinciale bibliotheek uit 1883, die zich tegenwoordig aan de Viale Michelangelo bevindt en meer dan 40.200.000 banden bezit, waaronder zeldzame, kostbare uitgaven.
Een bezoek aan het Santuario dell'Incoronata mag beslist niet ontbreken. Deze bedevaartskerk ligt 10 km van het centrum, aan de rijksweg S.S. 16 in de richting Bari, en is het doel van grote stromen Maria-pelgrims.
In het hart van één van de oudste wijken van de stad staat de Kruis- of Calvariekerk, een door Monumentenzorg beschermd gebouw dat een uiterst waardevol historisch en kerkelijk bezit vormt, met zijn zeven, met kruisen gekroonde kapellen.
Op korte afstand van de "Reale Chiesa delle Croci", die gebouwd werd op initiatief van de kapucijnen in 1615 na een prediking in de vastentijd door Pater Antonio da Olivadi, staat het nieuwe klooster. Al gauw daarna werd ook de kerk gebouwd, die gewijd is aan St. Anna, en ingewijd werd op 16 mei 1916 door mgr. Salvatore Bella. De kerk werd parochiekerk in 1932. Pater Pio kwam op 17 februari 1916 in Foggia, en bleef daar tot 4 september van hetzelfde jaar.
Hij was daar gekomen voor de zielszorg van de adellijke dame Raffaelina Cerase, met wie hij al per brief in contact was. Met zijn medebroeders was hij altijd "vrolijk en bereid tot grappen" . Na een kort verblijf werd hij getroffen door hoge koorts en werden "microbenhaarden in de rechter apex, met lichte ruis aan de linkerkant" geconstateerd. Samen met de ziekte en geestelijke benauwing was ook de duivel te bemerken, en wel op luide wijze.
Pater Pio at 's avonds niet en trok zich terug in zijn cel. Op een avond, terwijl de andere broeders in de refter bijeen waren, "klonk een harde klap uit zijn kamer, die tegenover de refter lag" . Nadat dit zich meerdere keren herhaald had trof men hem aan "badend in het zweet en moest hij helemaal worden omgekleed" . De geluiden hielden pas op toen de minister van de provincie, Benedetto da San Marco in Lamis, zijn wens uitte aan Pater Pio dat zulke geluiden niet meer moesten voorkomen. Pater Pio bad tot God, en de Heer verhoorde zijn gebed. Het lawaai bleef vervolgens uit, maar de aanvallen van het Kwaad, die "altijd op dezelfde tijd kwamen, na het avondeten, om de arme Pater te kwellen" hielden aan.
Photo gallery:

« Back
|